|
Zeven voorbeelden uit de tolerantietest |
Zeven voorbeelden uit de Tolerantietest
1. Een eigenaar van
een slijterij heeft voor zijn winkelruit een bordje geplaatst met de tekst
“Wij laten 1 asielzoeker per keer binnen”.
Wat vind je daarvan? A. Ik kan het wel begrijpen. De
winkelier heeft blijkbaar meegemaakt dat asielzoekers stelen. B. Het is niet
eerlijk en ook verboden om asielzoekers te discrimineren. C. Het maakt me niet uit, in sommige
supermarkten mogen ook geen groepjes jongeren naar binnen. 2. Een imam noemt in zijn preek in
de moskee homoseksuelen minder dan varkens. Ook is hij van mening dat mannen
hun vrouwen mogen slaan. A. Een
achterlijke opvatting maar vrijheid van meningsuiting vind ik heel
belangrijk. B. Deze uitspraken zouden verboden
moeten worden in ons land. C. Ik ben het eigenlijk wel eens met
de imam. 3. Maak de volgende zin af:
racistische uitspraken moeten... A. ... kunnen omdat vrijheid van meningsuiting belangrijk
is. B. ... met geweld bestreden worden. C. ... met woorden bestreden worden. 4. Mag je Duitse vriendin met je mee
naar de dodenherdenking op 4 mei? A. Ja, natuurlijk, want ze is mijn vriendin. B. Nee, want de dodenherdenking mag niet door Duitsers
bijgewoond worden. C. Ja, als ze haar mond maar houdt. 5. Een
uitzendbureau is veroordeeld tot discriminatie. Voor bepaalde bedrijven had
zij op de vacatures de letters BB vermeld. BB betekent blond haar en blauwe
ogen. A. Voor bepaalde banen zijn
buitenlanders niet geschikt. B. Ik vind het terecht dat het uitzendbureau is
veroordeeld tot discriminatie. C. Er is werk genoeg, dus waarover zeuren we eigenlijk. 6. Je hoort dat een homoseksuele
zangleraar van een jongenskoor alleen vanwege zijn seksuele geaardheid
ontslagen wordt. Wat vind je daarvan? A. Een onterechte beslissing, gebaseerd op vooroordelen. B. Raar dat niemand daartegen geprotesteerd heeft. C. Een
goede beslissing, want iemand die homoseksueel is kan niet goed les geven
aan een jongenskoor. 7. Bij
een voetbalwedstrijd Feyenoord – Ajax zijn er spreekkoren die “Hamas, Hamas,
joden aan het gas” roepen. A. Laat ze maar roepen. Voor hen heeft
deze leus niets te maken met wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. B. Geen aandacht aan schenken. Ook
niet op televisie. C. De wedstrijd moet worden gestaakt
en zonder publiek worden overgespeeld.
|