Samenvatting


“Dan denk ik: Wat is dat voor een explosie”

 

Kwalitatief onderzoek naar het verschil tussen leerlingen met een islamitische achtergrond en hun klasgenoten in hun reactie op de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging.

 

door Chris Blanken, Geu Visser en Jan Durk Tuinier
               
                                                                             

Bij de Stichting Vredeseducatie in Utrecht zijn de afgelopen jaren diverse signalen binnengekomen over een complex van problemen die te maken hebben met de waarneming en beleving van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog van voornamelijk allochtone leerlingen met een islamitische achtergrond. Het koppelen van de huidige politiek van de staat Israël ten aanzien van het Palestijns volk aan de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog leidt tot heftige discussies. Als gevolg hiervan blijkt dat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging door sommige scholen wordt overgeslagen. De afgelopen maanden is onderzocht waar docenten tegenaan lopen.

 

Het onderzoek

Een eerste stap van het onderzoek is het in kaart brengen van de problemen. Een tweede stap is het maken van een inventarisatie van de mogelijke gevolgen die dit heeft voor vredeseducatie en het onderwijs over de Tweede Wereldoorlog. Een derde stap is het zo nodig ontwikkelen van materialen om onderwijsgevenden te ondersteunen.

De vraagstelling is op een kwalitatieve manier onderzocht. Dat betekent dat we vooral geïnteresseerd waren in de aard en de eigenschappen van het probleem. Zo nieuwsgierig mogelijk zijn de onderzoekers in gesprek gegaan met enkele tientallen leerlingen en docenten. Daarnaast ontving de Stichting Vredeseducatie veertig bruikbare reacties op een vragenlijst via de website. Kwalitatief onderzoek kan geen uitspraak doen over de mate waarin een verschijnsel zich voordoet. Daar zijn statistische steekproeven voor bedoeld. De onderzoekers waren echter vooral geïnteresseerd in de manier waarop docenten en leerlingen met het probleem omgaan.

 

Medio november 2003 verschijnt een nieuwsbrief van de Stichting Vredeseducatie met de uitgewerkte gegevens, een verantwoording van de onderzoeksmethode en enkele aanbevelingen. In deze samenvatting leggen we de nadruk op de resultaten van het onderzoek. De cursief gedrukte regels zijn citaten uit de interviews. Uit de context wordt duidelijk of het om docenten of leerlingen gaat.

 

Onderzoeksvraag

De centrale onderzoeksvraag luidde:

Is er een verschil tussen leerlingen met een islamitische achtergrond en hun klasgenoten in hun reactie op de Tweede Wereldoorlog, joden en jodenvervolging?

Daaruit zijn drie deelvragen gesteld. Waaruit blijkt dit verschil? Welke oorzaken zijn hiervoor te benoemen? Wat zijn de gevolgen voor het onderwijs over de Tweede Wereldoorlog?

 

Uit het onderzoek blijkt dat veel docenten verschillen zien in kennis en beleving van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog tussen leerlingen met een islamitische achtergrond en hun klasgenoten. Dit verschil speelt nog nauwelijks een rol op de basisschool. Het wordt echter pas echt duidelijk vanaf een jaar of veertien, in de tweede of derde jaar van het voortgezet onderwijs. De verschillen zijn duidelijker in gemengde klassen waarin kinderen met een verschillende achtergrond zitten dan in klassen die homogeen zijn samengesteld. Er is een verschil tussen leerlingen die streng islamitisch zijn en leerlingen die minder streng worden opgevoed. En: leerlingen van het VMBO reageren feller dan leerlingen van Havo of VWO. Overigens wordt duidelijk dat meisjes gemakkelijker discussiëren dan jongens. Tot slot zal het niet verbazen dat de problematiek zich sterker voordoet op scholen in de randstad dan in minder verstedelijkte gebieden.

 

Wat zijn de verschillen?

Docenten signaleren bij alle leerlingen een groot gebrek aan kennis over de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Maar de kennis bij allochtone leerlingen met een islamitische achtergrond is veelal nog geringer. Ze missen ook de culturele achtergrond, ze kennen de emoties niet en zijn van hieruit ook minder betrokken bij gebeurtenissen als bijvoorbeeld de Dodenherdenking.

 

"Autochtone leerlingen zijn opgegroeid met de Tweede Wereldoorlog; islamitische leerlingen met de golfoorlog. Zij stellen zich in meerderheid eerder op achter de Palestijnen dan achter Israël."

 

De leerlingen zien op Arabische tv zenders als Al-Jazeera het leed van het Palestijnse volk dagelijks breed uitgemeten.

"In het Nederlandse Journaal krijg je altijd de kant van de Joden te zien en zo'n berichtje in het nieuws duurt twee minuten. Op de Arabische zenders blijft de camera een half uur draaien. Dan zie je wat er echt gebeurt."

 

De joden worden afgeschilderd als de vijanden van alle islamieten. Vervolgens horen ze in de geschiedenisles over de jodenvervolging. Dat botst.

 

"Nu doen de Joden bij de Palestijnen wat de Duitsers in de WOII bij hen deden"

 

Dit leidt veelal tot verwarring en/of (heftige) discussies waarin allerlei argumenten, verhalen en geschiedenissen door elkaar wordt gegooid. Een leerling uit de VMBO klas meldde dat:

 

"De joden nu wraak nemen op de Palestijnen terwijl ze dat eigenlijk op de Duitsers hadden moeten doen."

 

Als leerlingen van een VMBO klas wordt gevraagd hoe er thuis over Joden gesproken wordt antwoord de helft van de klas in de trant van:

 

"Als ze thuis over joden praten zeggen ze "Wij haten joden", "Wij zijn thuis allemaal voor de Palestijnen" of "Mijn vader zegt dat ze erom vragen"

 

De heftigheid waarmee de discussies gepaard gaan wordt door sommige docenten positief en door anderen negatief benoemd. Sommigen zien het als een uitdaging om de dialoog aan te gaan.

 

"Het onderwijs werd er leuker op. We hebben verhitte discussies gehad in de klas, vóóral omdat we de koppeling maakten naar de tweede golfoorlog. We kwamen er dan wel niet uit wie er meer op Hitler leek, Bush of Saddam. Maar de klas vond unaniem dat Hitler een slechte man was".

 

Ook de reactie van de autochtone leerlingen speelt een belangrijke rol.

 

"De andere leerlingen raakten intensiever betrokken daardoor gingen zij ook bewuster vragen beantwoorden en bedenken."

 

Het gebrek aan kennis lijkt juist leergierigheid op te wekken.

 

"Het was juist erg leuk om zo'n diversiteit in mijn klas te hebben. En de kinderen stonden er erg open voor. Het begrijpen was bij sommigen wel een probleem, maar dat was ook meer een taalprobleem. Woorden als deportatie, antisemitisme en concentratiekampen zijn gewoon moeilijke begrippen. Wanneer de leerlingen eenmaal in het onderwerp zaten waren ze zeer geïnteresseerd".

 

Andere docenten waren minder te spreken over de discussies.

 

"In een discussie worden allerlei zaken erbij gehaald waar ze totaal geen kaas van hebben gegeten en met een lading die onvoorstelbaar is, en een taalgebruik dat ertegenaan wordt gegooid..."

 

Ze schrikken van de heftige reacties.

 

"En dan denk je; "Wat is dit voor een explosie? Waar komt dit ineens vandaan? Voor je het weet heb je twee kampen. Dan is de toon alweer gezet. Dat gaat zo makkelijk."

 

Een aantal docenten meldt gevallen van dwars of tegendraads gedrag.

 

 "Toen ik iets vertelde over de Holocaust riep een leerling: "Lekker voor ze", en keek me uitdagend aan."

 

Een enkele leerling weigerde te luisteren of deel te nemen aan de les. Ook antisemitische uitspraken - onder het mom van vrijheid van meningsuiting - worden een aantal malen gemeld.

 

"Ik probeer ze positief te benaderen door ze te wijzen op zaken en feiten die ze kennelijk niet weten, maar hun onwil en haat tegen vooral joden is dermate groot dat ze vreselijke dingen zeggen"

 

Niet alle leerlingen treden op deze manier op de voorgrond met hun mening.

 

"Autochtone jongeren zijn opgegroeid in een cultuur die, sinds de Tweede Wereldoorlog, antisemitisme beschouwt als één van de grootste zonden. Dat maakt het voor velen ook moeilijk om een rationele mening te formuleren over de politiek van Israël. Ze zijn bang om, als ze kritisch zijn, van een anti-joodse houding te worden beschuldigd."

 

Aan de andere kant is het voor leerlingen met een moslim achtergrond moeilijk om een mening te verkondigen die loodrecht tegen het autochtone gedachtegoed ingaat.

 

"En als je je mond probeert open te trekken over je mening tegen de VS en de joden, word je gezien als een lid van de Hamas of Al Qaida!"

 

Wat zijn de reacties van docenten?

Schrik, verbazing en ongeloof zijn de meest genoemde reacties van de docenten op de uitlatingen van hun leerlingen.

 

"Ik ze probeer positief te benaderen door ze te wijzen op zaken en feiten die ze kennelijk niet weten, maar hun onwil en haat tegen vooral joden is dermate groot dat ze vreselijke dingen zeggen."

 

Docenten geven aan onvoldoende op de hoogte te zijn van wat de leerlingen met een islamitische achtergrond bezighoud. Ze weten zich bij een eerste confrontatie vaak niet direct een houding te geven.

 

"Veel van mijn collega’s hebben angst met de leerlingen in discussie te gaan; bang om van discriminatie te worden beschuldigd."

 

De docent lijkt daarmee gevangen te zitten tussen enerzijds het respect tonen voor de standpunten van de leerlingen met een islamitische achtergrond en anderzijds de eigen culturele bagage vanuit de tweede wereldoorlog.

 

"De algemene Nederlandse angst voor antisemitisme komt ten dele voort uit schaamte over het feit dat onze grootouders en ouders het "zomaar hebben laten gebeuren".

 

Deze heftige confrontatie met de eigen waarden en normen zorgt ervoor dat een deel van de docenten de discussie afkappen, de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging alleen feitelijk behandelen of zelfs helemaal overslaan.

 

"Ik ben ermee gestopt er verder op in te gaan. Ik laat nog wel mijn weerstand zien maar dan zeggen ze gewoon: "Dat is toch zeker mijn mening?"En dan ben je natuurlijk nergens meer."

 

Docenten die al eerder met deze problematiek in aanraking kwamen hebben wat dat betreft een grote voorsprong.

 

"Die Marokkanen zijn compleet onbenaderbaar als je ze niet serieus neemt en het afdoet als onzin. Maar als je dat niet meteen doet dan ligt dat veel genuanceerder en dan kun je ze ook nog een heleboel bijbrengen."

 

Daarbij zijn luisteren, doorvragen en samenvatten essentieel. Het blijkt echter moeilijk om vragen te stellen zonder een onderliggende boodschap of mening."

 

"Ik heb ook wel eens gezegd. Nou, ik vind dat je hatelijke ideeën hebt. Hopende daarmee enig effect te bereiken."

 

Hoewel de felheid van de discussie en de soms extremistische ideeën hier niet toe uitnodigen levert open kaart spelen voor alle partijen het meest op.

 

"Ik heb geprobeerd de discussie open te houden en ruimte te bieden voor afwijkende meningen, zolang ze maar goed beargumenteerd werden."

 

Maar het uitgebreide debat neemt wel heel veel tijd in beslag. Een aantal docenten klaagt daardoor niet de eindtermen te halen. Toch wordt deze tijd ervoor uitgetrokken.

 

"Ze moeten propaganda leren ontmaskeren. Dat is eigenlijk het hele eieren eten bij geschiedenis."

 

Concluderend

Uit het onderzoek blijkt dat veruit de meeste jongeren die de geschiedenis van de jodenvervolging verwarren met de politiek van de staat Israël geen kwaadaardige antisemieten zijn, zoals we hen kennen uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en van daarvoor en erna.

 

Het grootste deel van de weerstand die docenten ervaren bij de leerlingen komt voort uit onwetendheid, klakkeloos overgenomen opvoedingsboodschappen, moskeelessen en mediaberichten. De meeste van deze leerlingen wonen en leven, volgens hun docenten, in een omgeving waar ze nauwelijks met autochtone Nederlanders spreken. De docent is vaak de enige autochtone Nederlander waarmee deze leerlingen te maken hebben en deze beweert iets wat tegen alles wat zij dachten te weten in gaat.

 

"Allochtone jongeren groeien op in een gespleten wereld: ze zijn een beetje Marokkaan en een beetje Nederlander en (wellicht vooral) een beetje puber. Om een beetje puberaal te klieren hoef je geen moslim te zijn"

 

De situatie in het klaslokaal wordt ook nog bemoeilijkt doordat ook docenten hun eigen waarden en culturele bagage meebrengen. Zo komt het voor dat docenten zelf een bewogen en deels onverwerkte familiegeschiedenis hebben. Dat heeft tot gevolg dat zij onvoldoende objectief naar de mening van de leerlingen kunnen kijken, deze zonder meer afwijzen of de discussie ontlopen.

Sommige docenten missen voldoende didactische vaardigheden om genoemde felle en ingewikkelde discussies te begeleiden. Wanneer een discussie een keer uit de hand gelopen is, is het veelal niet eenvoudig om daarna dit soort thema’s opnieuw te bespreken. Ze beginnen er niet meer aan. Een aantal docenten geeft aan helaas geen of onvoldoende ondersteund te worden door collega’s of directie van de school.

 

Uit verhalen van docenten die wel de communicatieve vaardigheden hebben om discussies in goede banen te leiden blijkt het volgende. Door te luisteren naar wat de leerlingen te zeggen hebben, samen te vatten, nieuwe informatie te geven en kritische vragen te stellen kunnen leerlingen hun eigen mening ontwikkelen en bovendien zelf leren na te denken.

 

Het is niet de taak van docenten om leerlingen te leren wát ze moeten denken, maar dát ze denken. Dat is niet gemakkelijk maar het is de enige weg die we kunnen gaan in het onderwijs. Het is ook de taak van docenten om dit moeilijke proces te begeleiden. Dat betekent ook grenzen aangeven. Wie moet het anders doen? Soms is het eerst noodzakelijk om het begrip ‘respect’ onder de aandacht van leerlingen te brengen en spelregels af te spreken voor de discussie. Daarbij kan verhelderd worden dat bepaalde uitspraken kwetsend kunnen zijn voor groepen mensen. Dat ze onwaar zijn en het gevolg van stereotypen en vooroordelen.

 

Ook kan centraal staan dat we in Nederland een geschiedenis hebben van jodenvervolging en dat we nog steeds worstelen met een collectief trauma. Dat we daarom met elkaar afgesproken hebben in de grondwet van ons land dat iedereen mag denken en zeggen wat hij of zij wil maar ook dat antisemitisme verboden is. Dat kritiek op de politiek van de staat Israël of op welk ander land dan ook, mag.

 

Dat is de taak van een docent. Leerlingen gereedschap bieden zodat zij zelf een mening kunnen ontwikkelen. Luisteren, argumenten uitwisselen, onderzoeken en leren. Zo kunnen grote woorden in de eindtermen als ‘democratisch burgerschap, tolerantie en verantwoordelijkheid’ handen en voeten krijgen.

 

Het onderzoek is uitgevoerd door Chris Blanken, die afstudeert aan de faculteit pedagogische wetenschappen en onderwijskunde van de universiteit van Nijmegen. Jan Durk Tuinier en Geu Visser, werkzaam bij de Stichting Vredeseducatie, hebben het project begeleid.

 

© 2003 Stichting Vredeseducatie Utrecht

Uit bovenstaande samenvatting mag uitsluitend geciteerd worden met volledige bronvermelding. Gehele of gedeeltelijke overname van deze tekst,  in welke vorm dan ook, is uitsluitend met schriftelijke toestemming van de uitgever, Stichting Vredeseducatie.

 


Het complete onderzoeksrapport: Antisemitisme op school?

De geschiedenis van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog in confrontatie met islamitische leerlingen. De problemen, citaten van docenten en leerlingen, achtergronden, perspectieven en suggesties voor docenten. De verschijningsdatum is begin november 2003.

Auteurs: Jan Durk Tuinier, Chris Blanken en Geu Visser. 40 pagina’s A5. € 7,-

 

Printbare versie van deze samenvatting in MSWord